Wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers

HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen


Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, behoudens wat de artikelen betreft in Hoofdstuk II, die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.


Artikel 2. Voor de toepassing van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt verstaan onder:

1° kansspelen: elk spel, waarbij een ingebrachte inzet van om het even welke aard, hetzij het verlies van deze inzet door minstens één der spelers, hetzij een winst van om het even welke aard voor minstens één der spelers of inrichters van het spel tot gevolg heeft en waarbij het toeval een zelfs bijkomstig element is in het spelverloop, de aanduiding van de winnaar of de bepaling van de winstgrootte;

2° exploiteren: in werking stellen of houden, installeren of instandhouden van één of meerdere kansspelen of kansspelinrichtingen;

3° kansspelinrichting: de gebouwen of plaatsen waar één of meerdere kansspelen worden geëxploiteerd;

4° speelzaal: plaats in de kansspelinrichting waar de kansspelen worden geëxploiteerd.

5° weddenschap: kansspel waarbij elke speler een inzet inbrengt en waarbij winst of verlies wordt opgeleverd die niet afhangt van een daad gesteld door de speler, maar van de verwezenlijking van een onzekere gebeurtenis die zich voordoet zonder tussenkomst van de spelers;

6° onderlinge weddenschap: weddenschap waarbij een organisator als tussenpersoon optreedt tussen de verschillende spelers die tegen elkaar spelen, waarbij de inzetten worden samengevoegd en verdeeld tussen de winnaars, na afhouding van een percentage bestemd voor de betaling van de taks op de spelen en weddenschappen, voor het dekken van de organisatiekosten en voor het zich toekennen van een winst;

7° weddenschap tegen notering: weddenschap waarbij een speler wedt op het resultaat van een bepaald feit en waarbij het bedrag van de opbrengst wordt bepaald in functie van een bepaalde vaste of conventionele notering en waarbij de organisator persoonlijk gehouden is het bedrag van de winst te betalen aan de spelers;

8° media: elke radio- of televisiezender, en elk dagblad of tijdschrift waarvan de maatschappelijke zetel van de exploitant of uitgever gevestigd is in de Europese Unie;

9° mediaspel: kansspel waarvan de exploitatie gebeurt via de media;

10° informatiemaatschappij-instrumenten: elektronische apparatuur voor de verwerking, met inbegrip van digitale compressie, en de opslag van gegevens, en die geheel via draden, radio, optische middelen of andere elektromagnetische middelen worden verzonden, doorgeleid en ontvangen.

 

Artikel 3. Geen kansspelen in de zin van deze wet zijn:

1.   de sportbeoefening;

2. spelen die aan de speler of gokker geen ander voordeel opleveren dan het recht om maximaal vijf keer gratis verder te spelen;

3. kaart- of gezelschapsspelen, uitgeoefend buiten de kansspelinrichtingen klasse I en II, alsook spelen uitgebaat door pretparken of door kermisexploitanten naar aanleiding van kermissen, handelsbeurzen of andere beurzen onder soortgelijke omstandigheden, alsook spelen die occasioneel en maximaal vier keer per jaar worden ingericht door een plaatselijke vereniging ter gelegenheid van een bijzondere gebeurtenis of door een feitelijke vereniging met een sociaal of  liefdadig doel of een vereniging zonder winstgevend oogmerk ten behoeve van een sociaal of liefdadig doel, en die slechts een zeer beperkte inzet vereisen en aan de speler of gokker slechts een materieel voordeel van geringe waarde kunnen opleveren. De Koning bepaalt in toepassing van de punten 2 en 3 de nadere voorwaarden van het soort inrichting, het soort spel, het bedrag van de inzet, het voordeel dat kan worden toegekend en het gemiddeld uurverlies.

 

Artikel 3bis. Deze wet is niet van toepassing op de loterijen in de zin van de wet van 31 december 1851 op de loterijen en van de artikelen 301, 302, 303 en 304 van het Strafwetboek, noch op de openbare loterijen, en wedstrijden bedoeld in artikel 3, § 1, eerste lid, van de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij.

 

Artikel 4.

§1. Het is eenieder verboden om, zonder voorafgaande vergunning van de Kansspelcommissie overeenkomstig deze wet toegestaan en behoudens de uitzonderingen door de wet bepaald, een kansspel of kansspelinrichting te exploiteren, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook.

§2. Het is eenieder verboden deel te nemen aan een kansspel, de exploitatie van een  kansspel of kansspelinrichting te vergemakkelijken, reclame te maken voor een kansspel of kansspelinrichting of spelers te werven voor een kansspel of kansspelinrichting wanneer de betrokkene weet dat het gaat om de exploitatie van een kansspel of kansspelinrichting die niet is vergund  in toepassing van deze wet.

§ 3. Het is eenieder verboden deel te nemen aan enig kansspel indien de betrokkene een rechtstreekse invloed kan hebben op het resultaat ervan.

 

Artikel 5. werd opgeheven.

 

Artikel 6. De kansspelinrichtingen worden in vier klassen ingedeeld, te weten de kansspelinrichtingen klasse I of casino's, de kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen, de kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden, en de kansspelinrichtingen klasse IV of plaatsen uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen,  naargelang van de aard en het aantal kansspelen dat in de kansspelinrichting mag worden geëxploiteerd, van het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers en gokkers bij elk kansspel en van de aard van de in de respectieve inrichtingen toegestane nevenactiviteiten.

Het aantal kansspelinrichtingen I, II en IV is beperkt. Indien een vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse I, II of IV openvalt, kunnen aanvragen tot het verkrijgen van een vergunning worden ingediend.

De Koning bepaalt de wijze van bekendmaking van een openstaande vergunning alsmede de wijze en termijn van indiening van de aanvraag evenals de criteria die erop gericht zijn de orde van voorrang te bepalen en welke minstens betrekking hebben op de lokalisatie van de inrichting en de modus operandi van de exploitatie.

 

 

Artikel 7. De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit per klasse van kansspelinrichting de lijst van kansspelen en het aantal kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan onder de voorwaarden van deze wet. De kansspelcommissie geeft hiervoor een advies binnen een termijn van drie maanden.

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 2 maart 2004 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

- Koninklijk besluit van 26 april 2004 tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 24 november 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 17 september 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

 

Artikel 8. De Koning bepaalt voor elk kansspel geëxploiteerd in een kansspelinrichting  klasse II, III en IV, met uitzondering van de weddenschappen, evenals voor elk kansspel geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten en voor elk kansspel geëxploiteerd via de media, per speelkans het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers. Hij kan tevens het maximumbedrag bepalen dat een speler mag verliezen per door Hem vastgestelde speelduur.

In de kansspelinrichtingen klasse II zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 25 euro.

In de kansspelinrichtingen klasse III zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12.50 euro.

In de kansspelinrichtingen klasse IV zijn, met uitzondering van de weddenschappen, alleen de kansspelen toegestaan waarvoor vaststaat dat de speler gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12,50 euro.

De Koning kan zulks ook bepalen voor kansspelen geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse I.

Het is steeds verboden om twee of verschillende apparaten op elkaar aan te sluiten met het oog op het toekennen van één prijs.

De bedragen van de kansspelen bedoeld in dit artikel worden geïndexeerd op de door de Koning te bepalen wijze.

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de technische regels aangaande de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

- Koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 24 november 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de werkingsregels en de nadere regels inzake de boekhouding en de controle van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de werkingsregels van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV

 

 

HOOFDSTUK II. - De kansspelcommissie

Artikel 9. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt onder de benaming « kansspelcommissie » hierna de commissie genoemd, een advies-, beslissings- en controleorgaan inzake kansspelen opgericht waarvan de zetel in het administratieve arrondissement Brussel-Hoofdstad is gevestigd.

De commissie wordt bijgestaan door een secretariaat.

 

Artikel 10.

§1. De Commissie is samengesteld uit volgende leden: een voorzitter, 12 vaste leden, en 12 plaatsvervangende leden. De leidinggevende van het secretariaat woont met raadgevende stem de commissie bij.

§ 2. Naast de voorzitter telt de commissie volgende leden:

-  een Nederlandstalige en een Franstalige vertegenwoordiger van de minister van Justitie;

- een Nederlandstalige en een Franstalige vertegenwoordiger van de minister van Financiën;

- een Nederlandstalige en een Franstalige vertegenwoordiger van de minister van Economische Zaken;

- een Nederlandstalige en een Franstalige vertegenwoordiger van de minister van Binnenlandse Zaken;

- een Nederlandstalige en een Franstalige vertegenwoordiger van de minister van Volksgezondheid.

-  een Nederlandstalige en een Franstalige vertegenwoordiger van de minister tot wiens bevoegdheid de Nationale Loterij behoort.

De vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers worden op voordracht van de betrokken ministers door de Koning benoemd.

Het mandaat van de leden wordt beëindigd op het moment dat in hun vervanging wordt voorzien.

§ 3. De voorzitter wordt op voordracht van de minister van Justitie bij een in de Ministerraad overlegd besluit door de Koning benoemd uit de Nederlandstalige en Franstalige magistraten die overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs van de kennis van de Franse, respectievelijk Nederlandse taal hebben geleverd.

De voorzitter oefent zijn ambt voltijds uit.

Hij mag tijdens de duur van zijn mandaat geen andere beroepsbezigheid uitoefenen.

De voorzitter van de commissie behoudt als magistraat zijn plaats op de ranglijst. Gedurende zijn opdracht wordt hij geacht zijn ambt te hebben uitgeoefend. De bepalingen inzake inruststelling en pensioen zijn op hem van toepassing. In de vervanging van de magistraat wordt voorzien door een benoeming in overtal overeenkomstig de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Wanneer het een korpschef betreft, wordt in zijn vervanging voorzien door de benoeming in overtal van een magistraat uit de onmiddellijk lagere rang. De voorzitter wordt van rechtswege gedetacheerd.

De voorzitter blijft zijn wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. De voorzitter ontvangt daarnaast een jaarlijkse weddetoelage van 15.000 euro niet geïndexeerd, onverminderd de eventuele taalpremie.

§ 4. De voorzitter en de vaste en plaatsvervangende leden van de commissie worden aangewezen voor een termijn van zes jaar, die eenmaal kan worden verlengd voor een termijn van zes jaar. Ten vroegste drie jaar na het einde van hun opdracht kunnen de leden en hun plaatsvervangers zich opnieuw kandidaat stellen voor het ambt dat zij hebben uitgeoefend. Zij kunnen worden aangewezen voor een termijn van zes jaar, die niet kan worden verlengd.

§ 5. Met uitzondering van de voorzitter ontvangen de commissieleden en hun plaatsvervangers per vergadering reis- en verblijfkosten, alsook presentiegeld, waarvan de Koning het bedrag vaststelt.

§ 6. De commissie voert haar opdrachten in alle onafhankelijkheid uit.

- Koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 10 oktober 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 10 oktober 2003 tot intrekking van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 3 oktober 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

 

Artikel 11. Om tot voorzitter, vast of plaatsvervangend lid van de commissie te worden benoemd en het te blijven, moet men:

1. Belg zijn;

2. de burgerlijke en politieke rechten genieten en van onberispelijk gedrag zijn;

3. de volle leeftijd van 35 jaar bereikt hebben;

4. zijn woonplaats in België hebben;

5. geen functie uitoefenen of hebben uitgeoefend in een kansspelinrichting of geen persoonlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks belang, van welke aard ook, hebben of hebben gehad voor zichzelf, voor een echtgeno(o)t(e) of een samenwonende partner, of voor een familielid of een verwant tot in de vierde graad, in de exploitatie van een dergelijke inrichting of in een andere vergunningsplichtige activiteit die bedoeld is in deze wet;

6. geen titularis zijn van een verkozen mandaat op gemeentelijk, provinciaal, regionaal of federaal vlak;

7. sedert ten minste tien jaar een academisch, juridisch, administratief, technisch, economisch of sociaal ambt uitoefenen;

8. geen lid van het secretariaat van de commissie zijn.

De voorzitter, vaste en plaatsvervangende leden mogen gedurende een termijn van vijf jaar na de beëindiging van hun mandaat geen functie uitoefenen in een kansspelinrichting of enig persoonlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks belang, van welke aard ook, hebben voor zichzelf, voor een echtgeno(o)t(e) of een wettelijk samenwonende partner noch voor een familielid of een verwant tot in de vierde graad in de exploitatie van een dergelijke inrichting of in een andere vergunningsplichtige activiteit die bedoeld is in deze wet.

 

Artikel 12. De functie van voorzitter wordt open verklaard wanneer de titularis ervan sedert meer dan zes maanden afwezig is, of wanneer zijn mandaat vroegtijdig ten einde is gekomen.  Ingeval de voorzitter gedurende meer dan drie maanden afwezig is, kan de minister van Justitie tijdelijk in zijn vervanging voorzien. Bij verhindering van de voorzitter wordt hij vervangen door een lid dat de commissie onder haar leden aanwijst.

 

Artikel 13. De leden en de plaatsvervangende leden van de commissie mogen niet aanwezig zijn bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een persoonlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks belang, van welke aard ook, hebben voor zichzelf, voor een echtgeno(o)te of een samenwonende partner noch voor een familielid of een verwant tot in de vierde graad.

 

Artikel 14. De Koning bepaalt de organisatie, de samenstelling en de werking van het secretariaat.

 

Artikel 15.

§ 1. Voor de uitvoering van haar taken kan de commissie een beroep doen op deskundigen.

Zij kan een of meer personeelsleden van haar secretariaat belasten met de uitvoering van een onderzoek ter plaatse. De leden van het secretariaat, die rijksambtenaar zijn en die te dien einde door de Koning zijn aangewezen, hebben de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings, nadat zij de volgende eed hebben afgelegd: « Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk. ».

De bevoegdheden van de officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings, kunnen slechts uitgeoefend worden met het oog op het opsporen en vaststellen van de inbreuken gepleegd op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

- Koninklijk besluit van 26 november 2002 betreffende de legitimatiekaart van de officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings van de kansspelcommissie en van haar secretariaat

- Koninklijk besluit van 12 juli 2004 betreffende de aanstelling van de leden van het secretariaat van de kansspelcommissie in de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings

In het kader van de uitoefening van hun functie kunnen zij:

1° op elk ogenblik van de dag of nacht, binnentreden in de inrichtingen, ruimten, plaatsen waar zich onderdelen van het informaticasysteem bevinden die worden gebruikt voor de exploitatie van kansspelen en vertrekken waar zij voor het vervullen van hun opdracht toegang moeten hebben; tot de bewoonde ruimten hebben ze evenwel enkel toegang indien zij redenen hebben om te geloven dat een inbreuk op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten wordt gepleegd en met een voorafgaande toelating van de rechter in de politierechtbank;

2. overgaan tot elk onderzoek, elke controle en elk verhoor, alsook alle dienstige vaststellingen doen en eisen dat hen alle documenten worden overhandigd die nuttig kunnen zijn in het kader van hun onderzoek;

3. zich door de exploitanten en hun personeel, alsook door de politiediensten en de administratieve overheidsdiensten alle bijkomende inlichtingen doen bezorgen die zij nuttig achten;

4. alle voorwerpen, inzonderheid documenten, stukken, boeken en kansspelen, in beslag nemen die kunnen dienen als overtuigingsstuk betreffende een inbreuk op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten of die nodig zijn om mededaders of medeplichtigen op te sporen;

5. een beroep doen op de bijstand van politiediensten.

§ 2. De politieambtenaar of de in § 1 bedoelde met het onderzoek belaste ambtenaren die een inbreuk vaststellen op de bepalingen van deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, zenden het origineel van het proces-verbaal over aan het bevoegde parket.

Een afschrift van het betreffende proces-verbaal wordt overgezonden aan de commissie evenals aan de persoon die een inbreuk heeft gepleegd op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten, met uitdrukkelijke vermelding van de datum waarop het origineel werd toegestuurd of ter hand werd gesteld aan de procureur des Konings.

Het proces-verbaal dat door de in de paragraaf 1 bedoelde ambtenaren werd opgesteld inzake inbreuken op deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan, heeft bewijskracht tot het tegendeel bewezen is.

Wanneer de commissie kennis heeft van een inbreuk op de toepassing en naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, mag zij eisen dat de politiediensten en administratieve diensten van de Staat, haar alle bijkomende inlichtingen die zij voor de vervulling van haar opdracht nodig acht, meedelen binnen de door haar bepaalde termijn op voorwaarde dat die diensten daarvoor vooraf de toestemming van de procureur des Konings hebben verkregen.

 

Artikel 15/1.

§1. Indien de procureur des Konings, binnen een termijn van zes maanden, te rekenen van de dag van ontvangst van het origineel van het proces-verbaal, geen mededeling doet aan de commissie of deze laat weten dat, zonder het bestaan van de inbreuk in twijfel te trekken, geen gevolg zal worden gegeven aan de feiten, kan de commissie toepassing maken van artikel 15/3.

§2. Indien de procureur des Konings, binnen de in § 1 gestelde termijn, de commissie ter kennis brengt dat een vervolging zal worden ingesteld of dat hij van oordeel is dat geen toereikende bezwaren voorhanden zijn, vervalt de mogelijkheid voor de commissie om toepassing te maken van artikel 15/3.

 

Artikel 15/2. De commissie kan bij gemotiveerde beslissing aan iedere natuurlijke of rechtspersoon, die een inbreuk pleegt op deze wet of op haar uitvoeringsbesluiten, waarschuwingen richten, de vergunning voor een bepaalde tijd schorsen of intrekken en een voorlopig of definitief verbod van exploitatie van één of meer kansspelen opleggen.

 

Artikel 15/3.

§1. Onverminderd de maatregelen bepaald in artikel 15/2, kan de commissie, ingeval van inbreuk op de artikelen 4, 8, 26, 27, 46, 43/1, 43/2, 43/3, 43/4, 54, 58, 60, 62, en onder de voorwaarden bepaald in artikel 15/1, §1, aan de daders een administratieve geldboete opleggen.

§ 2. Het minimumbedrag en het maximumbedrag van de administratieve geldboete komen respectievelijk overeen met het minimumbedrag en het maximumbedrag, verhoogd met de opdecimes, van de strafrechtelijke geldboete, bepaald bij deze wet, die hetzelfde feit sanctioneert.

De omvang van de administratieve geldboete is evenredig ten aanzien van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en eventuele herhaling.

§3. De beslissing van de commissie bepaalt het bedrag van de administratieve boete en is met redenen omkleed.

§4. De kennisgeving van de beslissing waarbij het bedrag van de administratieve boete, wordt vastgesteld, doet de strafvordering vervallen.

§ 5. De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete kan niet meer worden genomen vijf jaar na het feit dat de bij deze wet vastgestelde inbreuken oplevert.

 

Artikel 15/4. De maatregelen bepaald bij de artikelen 15/2 en 15/3 kunnen door de commissie worden genomen, nadat de betrokkene de mogelijkheid geboden is zijn verweermiddelen naar voor te brengen.

De betrokkene wordt daartoe bij een ter post aangetekende brief verzocht zijn verweermiddelen in te dienen. Deze brief vermeldt de volgende gegevens:

1° de referenties van het proces-verbaal tot vaststelling van de inbreuk en houdende het relaas van de feiten die deze inbreuken opleveren;

2° het recht om binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de dag van de kennisgeving van de aangetekende brief:

- hetzij zijn verweermiddelen schriftelijk in te dienen;

- hetzij de aanvraag te doen om ze de mondeling in te dienen.

3° het recht om zich te laten bijstaan door een raadsman;

4° de mogelijkheid tot inzage van het dossier, alsmede het adres en de openingsuren van de dienst waar hij hiervoor terecht kan;

5° het postadres en e-mail adres van de kansspelcommissie met het oog op het indienen van zijn verweermiddelen.

Indien de betrokkene verzuimd heeft om de aangetekende brief bij de post af te halen binnen de vastgestelde termijn, kan de commissie hem bij gewone brief nog een tweede uitnodiging toesturen om zijn verweermiddelen in te dienen.

Deze tweede uitnodiging doet geen nieuwe termijn van dertig dagen lopen voor het indienen van de verweermiddelen.

 

Artikel 15/5.

§1. De verweermiddelen kunnen schriftelijk, inbegrepen via e-mail, worden ingediend.

§2. Zij kunnen ook mondeling worden ingediend. Ingeval de betrokkene zijn verweermiddelen mondeling wil naar voor brengen, wordt hij gehoord, nadat hij de commissie hierom binnen de termijn zoals bepaald in artikel 15/4, tweede lid, 2°, heeft verzocht.

De commissie kan daartoe aparte kamers samenstellen die bestaan uit de voorzitter en twee vaste leden.

De daartoe opgerichte kamer van de commissie, nodigt bij een ter post aangetekende brief, de betrokken rechtspersoon of natuurlijke persoon uit op de hoorzitting.

De betrokkene kan, bij een ter post aangetekende brief gericht aan de in het vorige lid bedoelde kamer, eenmalig om een uitstel van de hoorzitting verzoeken.

De kamer bepaalt de nieuwe datum waarop het dossier zal behandeld worden, zonder dat een bijkomend uitstel mogelijk is.

De leden van de kamer die de betrokkene hebben gehoord, stellen een omstandig verslag op van het verhoor. Een afschrift van dit verslag  wordt, bij een ter post aangetekende brief, meegedeeld aan de betrokkene. Na ontvangst van dit afschrift, beschikt de persoon tegen wie de procedure loopt, over een termijn van vijftien dagen om zijn opmerkingen hieromtrent toe te zenden aan de commissie.

 

Artikel 15/6.

§ 1. De commissie beraadslaagt en doet uitspraak binnen een termijn van twee maanden.

Deze termijn neemt een aanvang hetzij na ontvangst van de overeenkomstig artikel 15/5, §1, ingediende schriftelijke verweermiddelen, hetzij na het verstrijken van de in artikel 15/5, §2, laatste lid, bedoelde termijn van 15 dagen ingeval de verweermiddelen mondeling worden ingediend. 

De leden van de kamer welke de persoon hebben verhoord, mogen deelnemen aan deze beraadslaging en hebben stemrecht.

§2. De beslissing is met redenen omkleed en wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de betrokkene.

 

Artikel 15/7.

§ 1. De betrokkene die de beslissing waarbij door de commissie een administratieve geldboete wordt opgelegd, betwist, kan binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing van de commissie, door middel van een verzoekschrift, beroep instellen bij de rechtbank van eerste aanleg van zijn woonplaats of maatschappelijke zetel, die zetelt met volle rechtsmacht.

§2. Het beroep schorst de uitwerking van de beslissing van de commissie.

§3. Tegen de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg is alleen een voorziening in cassatie mogelijk.

§4. Onverminderd hetgeen bepaald is in de vorige paragrafen, zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de rechtbank van eerste aanleg.

 

Artikel 15/8. De Koning bepaalt de wijze van inning en invordering van de opgelegde administratieve geldboete.

 

De geïnde administratieve geldboetes worden gestort aan de Schatkist.

 

Artikel 16. De commissie moet ieder jaar bij de wetgevende kamers en bij de ministers van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën, Justitie en Volksgezondheid een verslag over haar werkzaamheden indienen.

 

Artikel 17. Onverminderd artikel 15, § 2, zijn de leden van de commissie en het secretariaat en de deskundigen om wiens medewerking is verzocht, verplicht om de feiten, de handelingen of de inlichtingen waarvan zij uit hoofde van hun functie kennis hebben, geheim te houden zowel tijdens het mandaat als na het verstrijken ervan.

Inbreuken op deze bepaling worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.

 

Artikel 18. Artikel 327 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangevuld met een § 6, luidende:

« § 6. De kansspelcommissie als bedoeld in artikel 9 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, moet de minister van Financiën er onverwijld van in kennis stellen dat zij bij een orgaan dat zij controleert, concrete elementen heeft vastgesteld die vermoedelijk wijzen op het bestaan of op de voorbereiding van een mechanisme, gericht op fiscale fraude; ».

 

Artikel 19.

§ 1 De oprichtings-, personeels- en werkingskosten van de commissie en haar secretariaat komen volledig ten laste van de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, G1 en G2.

De jaarlijkse bijdrage aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast bedoeld in artikel 20, § 2, van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen evenals de bijdrageverhoging bedoeld in artikel 20bis, vierde lid, van dezelfde wet, zijn ten laste van de kansspelinrichtingen.

De bijdrage van de vergunninghouder klasse F2 is verschuldigd door de houder van de vergunning klasse F1 voor wiens rekening de weddenschappen worden aangenomen.

Voor de houders van een vergunning klasse C en F2 dient de bijdrage te worden betaald vóór de vergunning wordt toegekend. Het bedrag ervan komt overeen met dat van een bijdrage die de volledige duur van de vergunning dekt.

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de bijdrage van de houders van een vergunning klasse A, A+, B, B+ C, E, F1, F1+, G1 en G2 in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie, alsook de jaarlijkse bijdrage en, desgevallend, de bijdrageverhoging aan het Fonds ter bestrijding van de Overmatige Schuldenlast verschuldigd door de kansspelinrichtingen

De Koning legt aan de wetgevende kamers een ontwerp van wet voor dat gericht is op de bekrachtiging van het besluit uitgevaardigd ter uitvoering van het vorige lid.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van vergunningen klasse A, B, C en E

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de Kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, A+, B, B+, C, E, F, F+ en G voor het kalenderjaar 2011

§2. In het kader van de begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een fonds van de kansspelcommissie ingesteld. Het fonds wordt gespijsd met de retributies bedoeld in §1, die de houders van vergunningen van de klasse A, A+, B, B+, C, E, F1, F1+, G1 en G2 betalen als bijdrage in de oprichtings-, personeels- en werkingskosten van de commissie en van het secretariaat ervan.

 

Artikel 20. Op verzoek van de betrokken ministers of van het parlement brengt de commissie advies uit over wetgevende of regelgevende initiatieven met betrekking tot de in deze wet bedoelde aangelegenheden.

De commissie controleert de toepassing en naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

Voor de toepassing van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld treedt de kansspelcommissie op als controlerende en toezichthoudende instantie, zoals bedoeld in de artikelen 21 en 22 van deze wet.

De commissie ontvangt klachten op de door de Koning bepaalde wijze.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van een vergunning klasse C

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

- Koninklijk besluit van 26 juni 2002 houdende vaststelling van de wijze waarop de kansspelcommissie klachten en bezwaren in ontvangst neemt

 

Artikel 21.

§ 1. De commissie spreekt zich uit, bij een met redenen omklede beslissing, over de aanvragen tot toekenning van de vergunningen die in deze wet worden voorzien.

§ 2. Bij haar uitspraak gaat de commissie na of al de door deze wet bepaalde voorwaarden met betrekking tot de aanvrager en de beoogde vergunning zijn vervuld.

§ 3. De commissie kan de aanvrager horen vooraleer zich uit te spreken over de aanvraag. Indien de aanvrager zulks wenst, moet hij door de commissie worden gehoord.

In alle gevallen heeft de aanvrager het recht zich te laten bijstaan door een raadsman.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van een vergunning klasse C

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

- Koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspelcommissie kan opleggen

 

Artikel 22. Binnen een maand na haar oprichting, stelt de commissie haar intern reglement op, dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de ministers van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën, Justitie en Volksgezondheid.

De commissie beraadslaagt slechts dan op geldige wijze, wanneer ten minste de meerderheid van haar leden aanwezig is. Zij beslist bij volstrekte meerderheid. Bij staking van de stemmen is de stem van de voorzitter of bij zijn afwezigheid, van zijn plaatsvervanger doorslaggevend.

De plaatsvervangende leden nemen slechts deel aan de beraadslaging als ze een vast lid vervangen.

 

Artikel 23. De Koning bepaalt de modaliteiten van de organisatie en de werking van de commissie.

- Koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 10 oktober 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 10 oktober 2003 tot intrekking van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 14 december 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

- Koninklijk besluit van 3 oktober 2005 tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 oktober 2003 betreffende de samenstelling, de organisatie en de werking van de Kansspelcommissie, alsook betreffende het presentiegeld, waarvan de leden en hun plaatsvervangers genieten

 

Artikel 24. De commissie ontmoet ten minste eenmaal per jaar de vertegenwoordigers van de exploitanten, alsmede de vertegenwoordigers van de werknemers van de exploitanten, in een overlegcomité, waarvan de samenstelling en de werking door de Koning worden vastgesteld.

- Koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de samenstelling en werkwijze van het overlegcomité van de kansspelcommissie

 

 

HOOFDSTUK III. – Vergunningen

 

Artikel 25. Er bestaan negen klassen van vergunningen en drie aanvullende vergunningen:

1. de vergunning klasse A staat, voor hernieuwbare periodes van vijftien jaar of in voorkomend geval voor een kleinere periode met toepassing van de bepaling onder 1/2, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van een kansspelinrichting klasse I of casino;

1/1. de aanvullende vergunning klasse A+ staat, onder de voorwaarden die zij bepaalt, de exploitatie toe van kansspelen, door middel van informatiemaatschappij-instrumenten;

1/2. indien de commissie tijdens het onderzoek van een aanvraag om hernieuwing van een vergunning klasse A of om de toekenning van een nieuwe vergunning klasse A vaststelt dat de lopende of de nieuwe concessieovereenkomst verstrijkt voor het einde van de vergunningsperiode van vijftien jaar, kan zij de vergunning hernieuwen of toekennen voor een termijn die de einddatum van de concessie niet te boven gaat;

2. de vergunning klasse B staat, voor hernieuwbare periodes van negen jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van een kansspelinrichting klasse II of speelautomatenhal;

2/1. de aanvullende vergunning klasse B+ staat, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van kansspelen, door middel van informatiemaatschappij-instrumenten;

3. de vergunning klasse C staat, voor hernieuwbare periodes van vijf jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van een kansspelinrichting klasse III of drankgelegenheid;

4. de vergunning klasse D staat, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de houder ervan toe een beroepsactiviteit, van welke aard ook, uit te oefenen in een kansspelinrichting klasse I, II of IV;

5. de vergunning klasse E staat, voor hernieuwbare periodes van tien jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer en de productie van kansspelen, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen toe;

6. de vergunning klasse F1 staat, voor hernieuwbare periodes van negen jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van de inrichting van weddenschappen;

6/1. de aanvullende vergunning klasse F1+ staat, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van de inrichting van weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten;

7. de vergunning klasse F2 staat, voor hernieuwbare periodes van drie jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de aanneming van weddenschappen voor rekening van de houder van een vergunning klasse F1 toe in een vaste of mobiele kansspelinrichting klasse IV. Deze vergunning staat eveneens het aannemen van weddenschappen toe buiten een kansspelinrichting klasse IV voor de in artikel 43/4, § 5, 1° en 2° bedoelde gevallen. Ook voor deze vergunning worden hernieuwbare periodes van drie jaar ingesteld.

8. de vergunning G1 staat, voor hernieuwbare periodes van vijf jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van kansspelen in televisieprogramma’s via nummerreeksen van het Belgische nummerplan en die een totaalprogramma inhouden.

9. de vergunning G2 staat, voor een periode van een jaar, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van kansspelen via de media, andere dan die welke worden opgenomen in televisieprogramma’ via nummerreeksen van het Belgisch nummerplan die een totaalprogramma inhouden.

 

Artikel 26.  Het is éénieder verboden een toegekende vergunning over te dragen.

 

Artikel 27. Het is een zelfde natuurlijke of rechtspersoon verboden de vergunningen klasse  A, A+, B, B+, C, D, F1, F1+, F2, G1 en G2 enerzijds en de vergunning klasse E anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon te cumuleren.

De houders van een vergunning klasse  A, B, C , F1 of F2 kunnen kansspelen, bestemd en gebruikt voor de exploitatie van een kansspelinrichting  klasse I, II, III en IV en die als dusdanig werden of worden afgeschreven, overdragen om niet of onder bezwarende titel, mits voorafgaandelijke inlichting en toestemming van de commissie.

 

 

HOOFDSTUK IV. - Kansspelinrichtingen

 

Afdeling I. - Kansspelinrichtingen klasse I of casino's

Artikel 28. Kansspelinrichtingen klasse I of casino's zijn inrichtingen waarin de door de Koning toegestane al dan niet automatische kansspelen worden geëxploiteerd en socio-culturele activiteiten zoals voorstellingen, tentoonstellingen, congressen en horeca-activiteiten worden georganiseerd.

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

Artikel 29. Het totaal aantal toegestane kansspelinrichtingen klasse I is beperkt tot 9.

Een kansspelinrichting klasse I kan slechts worden geëxploiteerd op het grondgebied van de gemeenten Blankenberge, Chaudfontaine, Dinant, Knokke-Heist, Middelkerke, Namen, Oostende, Spa en een van de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Na advies van de Brusselse Hoofdstedelijke regering, duidt de Koning, bij een in de Ministerraad overlegd besluit, op basis van de vestigings- en infrastructuurmogelijkheden, alsook van de sociale impact van de vestiging van een kansspelinrichting klasse I, de gemeente aan tussen de gemeenten van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest die zich daarvoor kandidaat hebben gesteld en dit bij een ter post aangetekend schrijven, gericht aan de minister van Justitie, binnen drie maanden na de inwerkingtreding van deze wet.

Per gemeente kan slechts één kansspelinrichting klasse I worden geëxploiteerd. Daartoe zal elke gemeente een concessieovereenkomst afsluiten met een kandidaat-exploitant.

De Koning kan bij een in de Ministerraad overlegd besluit de voorwaarden bepalen waaraan de concessieovereenkomst dient te voldoen.

- Koninklijk besluit van 20 juni 2002 tot bepaling van de vestigingsplaats van de negende kansspelinrichting klasse I

- Koninklijk besluit van 26 juni 2002 betreffende de concessieovereenkomsten afgesloten tussen de gemeenten en de kandidaat-exploitanten van een kansspelinrichting klasse I

 

Artikel 30. werd opgeheven.

 

Artikel 31. Om een vergunning klasse A te kunnen verkrijgen moet de aanvrager:

1. indien het gaat om een natuurlijk persoon, onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie; indien het gaat om een rechtspersoon, die geen vereniging zonder winstoogmerk mag zijn, deze hoedanigheid naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie bezitten;

2. indien het gaat om een natuurlijk persoon, volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie; indien het gaat om een rechtspersoon, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie;

3. een concessieovereenkomst voorleggen, die met de gemeentelijke overheid van de gemeente waar de kansspelinrichting klasse I zou worden gevestigd, gesloten is onder de voorwaarde dat de vergunning klasse A wordt verkregen;

4. het bewijs leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht en de commissie te allen tijde nauwgezet alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren.

5. ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van handelsonderneming;

6. een advies overleggen uitgaande van de Federale Overheidsdienst Financiën, waaruit blijkt dat hij al zijn vaststaande en onbetwiste belastingschulden heeft voldaan.

 

Artikel 32. Om houder van een vergunning klasse A te kunnen blijven, moet de aanvrager  niet alleen blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in artikel 31, maar tevens:

1. indien het gaat om een natuurlijk persoon die op enigerlei wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelneemt aan de exploitatie van een kansspelinrichting klasse I, te allen tijde op ondubbelzinnige wijze door de commissie kunnen worden geïdentificeerd en bij de commissie gekend zijn;

2. de commissie de mogelijkheid bieden om alle andere natuurlijke personen die op enigerlei wijze rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelnemen aan de exploitatie van een kansspelinrichting klasse I, te allen tijde op ondubbelzinnige wijze te identificeren en de identiteit van die personen te kennen;

3. aan de commissie alle inlichtingen verstrekken die haar te allen tijde de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren.

4. de speelzaal op zodanige wijze volledig en strikt scheiden van de ruimten in het casino die een andere bestemming hebben, alsook van de voor het publiek toegankelijke ruimten buiten het casino, dat de kansspelen van buiten de speelzaal niet kunnen worden gezien; het is de exploitant evenwel toegestaan in de speelzaal een bar of een restaurant uit te baten of zulks aan een derde die een vergunning klasse D heeft, toe te vertrouwen.

5. De kansspelen of kansspelinrichtingen waarvoor een vergunning is verleend daadwerkelijk exploiteren.

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

 

Artikel 33. De Koning bepaalt:

1. de vorm van de vergunning klasse A;

2. de wijze waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;

3. de wijze waarop kansspelinrichtingen klasse I moeten werken en worden beheerd, met dien verstande dat zowel met betrekking tot de spelverrichtingen als tot de andere activiteiten die de kansspelinrichting uitoefent, een afzonderlijke boekhouding moet worden gevoerd;

4. de werkingsregels van de kansspelen;

5. de regels van toezicht op en controle van de kansspelen, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem.

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

- Koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de technische regels aangaande de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 23 mei 2003 betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse I, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem

- Koninklijk besluit van 24 november 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

- Koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de werkingsregels en de nadere regels inzake de boekhouding en de controle van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 27 juli 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de werkingsregels en de nadere regels inzake de boekhouding en de controle van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 27 juli 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 mei 2003 betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse I, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem

 

Afdeling II - Kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen

Artikel 34. De kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen zijn inrichtingen waar uitsluitend de door de Koning toegestane kansspelen worden geëxploiteerd.

Er worden ten hoogste 180 kansspelinrichtingen klasse II toegestaan.

De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B

 

Artikel 35. werd opgeheven.

 

Artikel 36. Om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen moet de aanvrager:

1. indien het gaat om een natuurlijk persoon, onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie; indien het gaat om een rechtspersoon, deze hoedanigheid naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie bezitten;

2. indien het gaat om een natuurlijk persoon, volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie; indien het gaat om een rechtspersoon, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie;

3. het bewijs leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht en de commissie te allen tijde nauwgezet alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren;

4. ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen;

5. het convenant kunnen voorleggen dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting klasse II en de gemeente waar die inrichting gevestigd is onder de voorwaarde dat de vergunning van klasse B wordt verkregen.

6. ingeschreven zijn in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van handelsonderneming.

7. een advies overleggen uitgaande van de Federale Overheidsdienst Financiën waaruit blijkt dat hij al zijn vaststaande en onbetwiste belastingschulden heeft voldaan.

 

Artikel 37. Om houder van een vergunning klasse B te kunnen blijven, moet de aanvrager niet alleen blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het artikel 36, maar tevens:

1. indien het gaat om een natuurlijke persoon die op enigerlei wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelneemt aan de exploitatie of zorgt voor de huisvesting van een kansspelinrichting klasse II, te allen tijde op ondubbelzinnige wijze door de commissie kunnen worden geïdentificeerd en bij de commissie gekend zijn;

2. de commissie de mogelijkheid bieden om alle andere natuurlijke personen die op enigerlei wijze rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelnemen aan de exploitatie of zorgen voor de huisvesting van een kansspelinrichting klasse II, te allen tijde op ondubbelzinnige wijze te identificeren en de identiteit van die personen te kennen;

3. aan de commissie alle inlichtingen verstrekken die haar te allen tijde de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren;

4. de speelzaal op zodanige wijze volledig en strikt scheiden van de ruimten in de spelinrichting klasse II die een andere bestemming hebben, alsook van de voor het publiek toegankelijke ruimten buiten de spelinrichting, dat de kansspelen van buiten de speelzaal niet kunnen worden gezien; de exploitant mag in de speelzaal geen bar of restaurant uitbaten, noch zulks aan een derde toevertrouwen.

5. de kansspelen of kansspelinrichtingen waarvoor een vergunning is verleend daadwerkelijk exploiteren in de zin van artikel 2, 2°, van deze wet.

 

Artikel 38. De Koning bepaalt:

1. de vorm van de vergunning klasse B;

2. de wijze waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;

3. de wijze waarop kansspelinrichtingen klasse II moeten werken en worden beheerd, met dien verstande dat zowel met betrekking tot de spelverrichtingen als tot de andere activiteiten die de kansspelinrichting uitoefent, een afzonderlijke boekhouding moet worden gevoerd;

4. de werkingsregels van de kansspelen;

5. de regels van toezicht op en controle van de kansspelen, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B

- Koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 23 mei 2003 betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse II, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem

- Koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

 

Afdeling III. - Kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden

Artikel 39. Kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden zijn inrichtingen waar drank, ongeacht de aard ervan, wordt verkocht voor gebruik ter plaatse en waarin maximaal twee kansspelen worden geëxploiteerd.

-          Koninklijk besluit van 2 maart 2004 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

 

Artikel 40. werd opgeheven.

 

Artikel 41. Om een vergunning C te kunnen verkrijgen moet de aanvrager indien het gaat om een natuurlijk persoon, volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie. Indien het gaat om een rechtspersoon, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie. De aanvrager moet een advies overleggen uitgaande van de Federale Overheidsdienst Financiën waaruit blijkt dat hij al zijn vaststaande en onbetwiste belastingsschulden heeft voldaan.

 

Artikel 42. De aanvrager van een vergunning C moet zijn ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen in de hoedanigheid van handelsondernemingen.

 

Artikel 43. De Koning bepaalt:

1. de vorm van de vergunning klasse C;

2. de wijze waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;

3. de wijze waarop kansspelinrichtingen klasse III moeten werken en worden beheerd, met dien verstande dat zowel met betrekking tot de spelverrichtingen als tot de andere activiteiten die de kansspelinrichting uitoefent, een afzonderlijke boekhouding moet worden gevoerd;

4. de werkingsregels van de kansspelen;

5. de regels van toezicht op en controle van de kansspelen, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van een vergunning C

- Koninklijk besluit van 23 mei 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning C

- Koninklijk besluit van 23 mei 2003 betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse III, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem

- Koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

- Koninklijk besluit van 2 maart 2004 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

- Koninklijk besluit van 3 februari 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

 

Afdeling IV. – Weddenschappen en kansspelinrichtingen klasse IV

Onderafdeling I: Weddenschappen: inrichting van weddenschappen.

Artikel 43/1. Het is verboden een weddenschap in te richten omtrent een gebeurtenis of activiteit die strijdig is met de openbare orde of de goede zeden.

Het is verboden weddenschappen in te richten op evenementen of gebeurtenissen waarvan de uitslag reeds gekend is of waarbij de onzekere gebeurtenis reeds heeft  plaatsgevonden.

 

Artikel 43/2.

§1. Inzake paardenwedrennen worden enkel volgende weddenschappen toegelaten:

1°. de onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatsvinden en die worden georganiseerd door een renvereniging die erkend is door de bevoegde federatie;

2°. de onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden onder de door de Koning te bepalen voorwaarden;

3°. de weddenschappen tegen vaste of conventionele notering op paardenwedrennen die in België plaatsvinden en die worden georganiseerd door een renvereniging die erkend is door de bevoegde federatie.

4° de weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden, hetzij volgens de resultaten van de onderlinge weddenschappen, hetzij volgens de conventionele notering waarnaar de partijen verwijzen. De aanneming van deze weddenschappen is voorbehouden aan de exploitanten van de vaste kansspelinrichtingen bedoeld in artikel 43/4, § 2, tweede lid.

§2. Inzake paardenwedrennen kunnen:

1° de weddenschappen zoals bedoeld in artikel 43/2, §1, 1°, enkel worden ingericht door of mits toestemming van de renvereniging die de betreffende wedren organiseert. Deze vereniging mag de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk;

2° de weddenschappen zoals bedoeld in artikel 43/2, §1, 2°, enkel worden ingericht onder de door de Koning bepaalde voorwaarden door de inrichter van de weddenschappen bedoeld in 1°;

3° de weddenschappen zoals bedoeld in artikel 43/2, §1, 3°, enkel worden ingericht binnen de omheining van een renbaan met toestemming van de renvereniging die de betreffende wedren organiseert. Deze vereniging mag de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk.

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van de nadere voorwaarden onder dewelke onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden kunnen worden ingericht

Artikel 43/3.

§1. De inrichters van de weddenschappen moeten beschikken over een vergunning klasse F1.

§ 2. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het maximum aantal inrichters van weddenschappen.

De Koning stelt dit aantal, voor de periodes die hij bepaalt, vast op basis van criteria die ertoe strekken het aanbod te beperken ter bescherming van de speler en ter garantie van een doeltreffende controle. De Koning kan de procedure bepalen voor het behandelen van vergunningsaanvragen in overtal.

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende het maximum aantal inrichters van weddenschappen en de procedure voor het behandelen van vergunningsaanvragen ingeval een vergunning vrijkomt wegens intrekking of stopzetting

 

Onderafdeling II: Kansspelinrichtingen klasse IV.

Artikel 43/4.

§1. Kansspelinrichtingen klasse IV zijn plaatsen uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen die overeenkomstig deze wet zijn toegestaan voor rekening van de vergunninghouders F1.

Het aannemen van weddenschappen vereist een vergunning klasse F2.

Behoudens de uitzonderingen voorzien in §5, is het verboden weddenschappen aan te nemen buiten een kansspelinrichting klasse IV.

§ 2. De kansspelinrichtingen klasse IV zijn vast of mobiel.

Een vaste kansspelinrichting is een permanente inrichting, duidelijk afgebakend in de ruimte, waarin de weddenschappen worden geëxploiteerd.

Een vaste kansspelinrichting is uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen, behoudens:

- de verkoop van gespecialiseerde bladen, sportmagazines en gadgets;

- de verkoop van niet alcoholische dranken;

- de exploitatie van maximaal twee automatische kansspelen die weddenschappen op soortgelijke activiteiten aanbieden als deze die aangegaan worden in het wedkantoor. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder deze kansspelen kunnen worden uitgebaat.

Een mobiele kansspelinrichting is een tijdelijke inrichting, duidelijk afgebakend in de ruimte, die wordt geëxploiteerd ter gelegenheid, voor de duur en op de plaats van een evenement, een sportwedstrijd of een sportcompetitie. Zij dient duidelijk te worden afgescheiden van de gelegenheden waar alcoholische drank wordt verkocht voor verbruik ter plaatse.

Een mobiele kansspelinrichting mag geen andere weddenschappen aannemen dan deze die betrekking hebben op dat evenement, die wedstrijd of die competitie.

§ 3. Alle weddenschappen toegelaten overeenkomstig deze wet en waarvoor een inzet werd gedaan die het bedrag of de tegenwaarde bepaald door de Koning overschrijdt, dienen door de aannemer van de weddenschappen te worden geregistreerd, in een geïnformatiseerd systeem, waarbij de opgeslagen gegevens gedurende vijf jaar moeten worden bewaard.

De Koning bepaalt de gegevens die terzake moeten worden geregistreerd en de wijze waarop de registratie moet gebeuren.

§ 4. De Koning bepaalt bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad het maximum aantal vaste en mobiele kansspelinrichtingen IV, evenals de criteria die ertoe strekken een spreiding van deze inrichtingen te organiseren. Hij kan een procedure met criteria van voorrang voor de behandeling van de aanvragen in overtal bepalen.

§5. Buiten voormelde kansspelinrichtingen klasse IV mogen tevens worden aangenomen:

1° de onderlinge weddenschappen op paardenrennen  en weddenschappen op sportevenementen andere dan paardenrennen en windhondrennen, bij wijze van nevenactiviteit door de dagbladhandelaars, natuurlijke personen of rechtspersonen, die als commerciële onderneming zijn ingeschreven in de Kruispuntbank voor ondernemingen, voor zover ze niet worden aangenomen in gelegenheden waar alcoholische dranken worden verkocht voor verbruik ter plaatse. De Koning bepaalt de nadere voorwaarden waaraan de dagbladhandelaars moeten voldoen. Zij dienen te beschikken over een vergunning F2;

2° de onderlinge weddenschappen op paardenrennen zoals bedoeld in artikel 43/2, §2, 1° en 2°, die worden georganiseerd binnen de omheining van een renbaan, onder de door de Koning te bepalen voorwaarden. De vereniging dient te beschikken over een vergunning klasse F2.

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de werkingsregels van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrichtingen klasse IV

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van het maximum aantal vaste en mobiele kansspelinrichtingen klasse IV, de criteria die ertoe strekken een spreiding van deze inrichtingen te organiseren en de procedure voor de behandeling van de aanvragen ingeval een vergunning vrijkomt wegens intrekking of stopzetting

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van het bedrag of de tegenwaarde van de inzet van weddenschappen waarvoor een registratieplicht geldt en tot vaststelling van de inhoud en de wijze van deze registratie

 

Onderafdeling III. Algemene bepalingen

Artikel 43/5. Om een vergunning klasse F1 of F2 te kunnen verkrijgen moet de aanvrager:

1. indien het gaat om een natuurlijke persoon, aantonen dat hij onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie en, indien het gaat om een rechtspersoon, aantonen dat hij deze hoedanigheid naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie bezit;

2. indien het gaat om een natuurlijke persoon, aantonen dat hij het volle genot heeft van zijn burgerlijke en politieke rechten, en indien het gaat om een rechtspersoon, aantonen dat de bestuurders en zaakvoerders deze rechten genieten. In alle gevallen dienen de aanvrager, de bestuurders en de zaakvoerders zich te gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie;

3. het reglement van de weddenschappen evenals iedere wijziging hiervan aan de commissie mededelen en zich ertoe verbinden dat een exemplaar ervan zal worden uitgehangen in iedere kansspelinrichting of plaats waar weddenschappen worden aangenomen;

4. een advies overleggen uitgaande van de Federale Overheidsdienst Financiën waaruit blijkt dat hij al zijn vaststaande en onbetwiste belastingsschulden heeft voldaan.

De aanvrager van de vergunning klasse F 1 moet daarenboven:

1. de lijst opgeven van de aard of de soort van de weddenschappen die worden ingericht;

2. het bewijs leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht;

3. het reglement van de weddenschappen evenals iedere wijziging hiervan aan de commissie mededelen en zich ertoe verbinden dat een exemplaar ervan zal worden uitgehangen in iedere kansspelinrichting waar de weddenschappen worden aangenomen;

4. de lijst opgeven van de kansspelinrichtingen of plaatsen waar de weddenschappen zullen worden aangenomen.

 

Artikel 43/6. Om houder van een vergunning klasse F1 of F2 te kunnen blijven, moet de aanvrager niet alleen blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het artikel 43/5, maar tevens:

1. indien het gaat om een natuurlijk persoon die op enigerlei wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelneemt aan de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV of een plaats waar weddenschappen worden aangenomen, op ondubbelzinnige wijze kunnen geïdentificeerd worden. Zijn identiteit moet doorgegeven worden aan de Commissie;

2. de commissie de mogelijkheid bieden om alle andere natuurlijke personen die op enigerlei wijze rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelnemen aan de exploitatie van een kansspelinrichting klasse IV of een plaats waar weddenschappen worden aangenomen, te allen tijde te identificeren en de identiteit van die personen te kennen;

3. aan de commissie alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren;

4. de weddenschappen waarvoor de vergunning is verleend daadwerkelijk blijven inrichten of aannemen en de kansspelinrichtingen daadwerkelijk exploiteren.

5. aan de commissie alle wijzigingen verstrekken die moeten worden aangebracht aan de lijst van de kansspelinrichtingen of plaatsen waar de weddenschappen zullen worden aangenomen.

 

Artikel 43/7. De Koning bepaalt:

1.  de vorm van de vergunningen klasse F1 en F2;

2. de wijze waarop de aanvragen van een vergunning F1 en F2 moeten worden ingediend en onderzocht;

3. de verplichtingen waaraan vergunninghouders F1 en F2 moeten voldoen inzake beheer en boekhouding.

4. de werkingsregels van de weddenschappen;

5. de regels van toezicht op en controle van de weddenschappen eventueel door middel van gebruik van een passend informaticasysteem.

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van het maximum aantal vaste en mobiele kansspelinrichtingen klasse IV, de criteria die ertoe strekken een spreiding van deze inrichtingen te organiseren en de procedure voor de behandeling van de aanvragen ingeval een vergunning vrijkomt wegens intrekking of stopzetting

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende het maximum aantal inrichters van weddenschappen en de procedure voor het behandelen van vergunningsaanvragen ingeval een vergunning vrijkomt wegens intrekking of stopzetting

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de vorm van de vergunning klasse F2, de wijze waarop de aanvragen voor een vergunning klasse F2 moeten worden ingediend en onderzocht en de verplichtingen waaraan vergunningshouders F2 moeten voldoen inzake beheer en boekhouding

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de vorm van de vergunning klasse F1, de wijze waarop de aanvragen voor een vergunning klasse F1 moeten worden ingediend en onderzocht en de verplichtingen waaraan vergunningshouders F1 moeten voldoen inzake beheer en boekhouding

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 tot vaststelling van het bedrag of de tegenwaarde van de inzet van weddenschappen waarvoor een registratieplicht geldt en tot vaststelling van de inhoud en de wijze van deze registratie

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de regels van toezicht op en de controle van de kansspelen in de kansspelinrichtingen klasse IV en de plaatsen waar weddenschappen worden aangenomen bedoeld in artikel 43/4, § 5, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de werkingsregels van de weddenschappen

 

 

HOOFDSTUK IV/1. De aanvullende vergunningen of kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten.

Artikel 43/8.

§1. De commissie kan, aan een vergunningshouder klasse A, B of F1 maximaal één aanvullende vergunning toekennen, respectievelijk A+, B+ en F1+, voor het uitbaten van kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten. De aanvullende vergunning kan enkel betrekking hebben op de uitbating van spelen van dezelfde aard als deze die in de reële wereld aangeboden worden.

§2. De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:

1° de kwaliteitsvoorwaarden die door de aanvrager dienen te worden vervuld en welke, minstens betrekking hebben op de volgende elementen:

a) De kredietwaardigheid van de aanvrager;

b) de veiligheid van het betalingsverkeer tussen de exploitant en de speler;

c) het beleid van de exploitant ten aanzien van de toegankelijkheid van de kansspelen voor sociaal kwetsbare groepen;

d) de klachtenregeling;

e) de nadere regels betreffende de reclame;

f) de nakoming van al zijn fiscale verplichtingen

2° de voorwaarden waaronder de spelen kunnen worden aangeboden en welke minstens betrekking hebben op de registratie en identificatie van de speler, de controle van de leeftijd, de aangeboden spelen, de spelregels, de wijze van betaling en de wijze van verdeling van prijzen;

3° de nadere regels van toezicht op en controle van de geëxploiteerde kansspelen en die minstens betrekking hebben op de voorwaarde dat de servers waarop de gegevens en de website-inrichting worden beheerd, zich bevinden in een permanente inrichting op het Belgisch grondgebied;

4° welke spelen mogen worden uitgebaat.

5° de nadere regels betreffende de informatie ten behoeve van de spelers over de wettigheid van de kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten.

§ 3. De geldigheidsduur van de aanvullende vergunningen is gekoppeld aan de respectievelijke geldigheidsduur van de respectievelijke vergunningen klasse A, B of F1.

§4. De commissie houdt een lijst bij van de afgegeven aanvullende vergunningen die kan worden ingezien door eenieder die daarom verzoekt.

- Koninklijk besluit van 21 juni 2011 betreffende de kwaliteitsvoorwaarden die door de aanvrager van een aanvullende vergunning dienen te worden vervuld inzake kansspelen

- Koninklijk besluit van 21 juni 2011 betreffende de vorm van de aanvullende vergunning en de wijze waarop de aanvragen voor een aanvullende vergunning moeten worden ingediend en onderzocht inzake kansspelen

 

 

Hoofdstuk IV/2.  Mediaspelen.

Afdeling I.  Algemene bepalingen.

Artikel 43/9. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

- spelduur: periode begrepen tussen de inzet en het definitief afsluiten van het spel met winst of verlies.

- operator: iedere persoon die, in eigen naam en voor eigen rekening, diensten of netwerken voor elektronische of telefonische communicatie levert of doorverkoopt;

- organisator: iedere persoon die een spel organiseert zoals bepaald in dit hoofdstuk, of de inhoud ervan vastlegt;

- spelaanbieder: iedere persoon die een spel aan de speler aanbiedt door elk soort middel;

- facilitator: iedere persoon die zijn infrastructuur ter beschikking stelt en/of medewerking verleent voor het beheer en de afhandeling van de communicatie uitgaande van de speler.

 

Artikel 43/10. Om een vergunning klasse  G1 of G2 te kunnen verkrijgen, moet de aanvrager:

1. indien het gaat om een natuurlijke persoon, onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie; indien het gaat om een rechtspersoon, die geen vereniging zonder winstoogmerk mag zijn, deze hoedanigheid naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie bezitten;

2. indien het gaat om een natuurlijke persoon, volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie; indien het gaat om een rechtspersoon, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie;

3. bij de commissie een volledig dossier indienen waarin de organisatie, de wijze van selecteren en de methodiek van het spel volledig worden uiteengezet. In dit aanvraagdossier dient eveneens duidelijk te worden weergegeven wie de desbetreffende operator, organisator, spelaanbieder en facilitator is. Deze personen, indien het gaat om natuurlijke personen, moeten ook volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten; indien het gaat om rechtspersonen, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten;

4. een advies overleggen uitgaande van de Federale Overheidsdienst Financiën waaruit blijkt dat hij al zijn vaststaande en onbetwiste belastingschulden heeft voldaan.

 

Artikel 43/11. Om houder van een vergunning klasse G1 of G2 te kunnen blijven, moet de aanvrager niet alleen blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het vorige artikel, maar tevens:

1. indien het gaat om een natuurlijke persoon die op enigerlei wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelneemt aan de exploitatie van een mediaspel, te allen tijde en op ondubbelzinnige wijze door de commissie gekend zijn; zijn identiteit moet doorgegeven worden aan de commissie;

2. de commissie de mogelijkheid bieden om alle andere natuurlijke personen die op enigerlei wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon, deelnemen aan de exploitatie van een mediaspel, te alle tijde en op ondubbelzinnige wijze te identificeren en de identiteit van die personen te kennen;

3. aan de commissie alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden te allen tijde de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook latere wijzigingen daaromtrent te controleren;

 

Afdeling II. – Televisieprogramma’s via nummerreeksen van het Belgisch nummerplan en die een totaalprogramma inhouden.

Artikel 43/12. De spelaanbieder moet over een vergunning klasse G1 beschikken om televisieprogramma’s via nummerreeksen van het Belgisch nummerplan te mogen exploiteren waarvoor hij de oproeper niet alleen de prijs van de communicatie, maar ook een betaling voor de inhoud mag aanrekenen, doch alleen voor de reeksen waarop het eindgebruikerstarief geen functie is van de tijdsduur van de oproepen en die een totaalprogramma inhouden.


Artikel 43/13. De Koning bepaalt:

  1. de vorm van de vergunning klasse G1;
  2. de wijze  waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;
  3. de wijze waarop de mediaspelen worden ingericht en beheerd, met dien verstande dat een afzonderlijke boekhouding moet worden gevoerd voor alle kansspelactiviteiten;
  4. de werkingsregels van deze mediaspelen;
  5. de regels van toezicht en controle op de mediaspelen;
  6. de criteria die ertoe strekken een expansie van het aanbod te vermijden.

- Koninklijk besluit van 21 juni 2011 betreffende de vorm van de vergunning klasse G1, de wijze waarop de aanvragen van een vergunning klasse G1 moeten worden ingediend en onderzocht en de verplichtingen waaraan de houders van deze vergunning moeten voldoen

- Koninkijk besluit van 21 juni 2011 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan sommige spelen aangeboden in het kader van televisieprogramma's via nummerreeksen van het Belgische nummerplan en die een totaalprogramma inhouden, moeten voldoen

Citeertitel: "Het koninklijk besluit belspelen"

 

Afdeling III. – Kansspelen geëxploiteerd via de media, andere dan de in de afdeling II bedoelde televisieprogramma’s via nummerreeksen van het Belgisch nummerplan.

Artikel 43/14. De spelaanbieder moet over een vergunning klasse G2 beschikken om alle via de media geëxploiteerde kansspelen te mogen exploiteren, behoudens wat betreft de televisieprogramma’s via nummerreeksen van het Belgisch nummerplan die een totaalprogramma inhouden.

 

Artikel 43/15. De Koning bepaalt:

1.   de vorm van de vergunning klasse G2;

2. de wijze  waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;

3.  de wijze waarop deze mediaspelen worden ingericht en beheerd, met dien verstande dat een afzonderlijke boekhouding moet worden gevoerd voor alle kansspelactiviteiten;

4.   de werkingsregels van deze mediaspelen;

5.   de regels van toezicht op en controle op de mediaspelen;

6.   de spelen waarvoor geen vergunning moet worden aangevraagd;

  1. de criteria die erop gericht zijn een expansie van het aanbod te vermijden.

 


HOOFDSTUK IV/3. Personeel

Artikel 44. Elke persoon die gedurende de openingsuren van de speelzaal binnen een kansspelinrichting  klasse I, II of IV enige beroepsactiviteit, van welke aard ook, wenst uit te oefenen die verband houdt met het spel, moet beschikken over een vergunning klasse D en het bewijs daarvan, in de vorm van een identificatiekaart, steeds bij zich hebben.

 

Artikel 45. Om een vergunning klasse D te verkrijgen en te behouden moet de aanvrager volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie.

 

Artikel 46. Het is de houders van een vergunning klasse D verboden om persoonlijk of door middel van tussenpersonen deel te nemen aan de geëxploiteerde kansspelen, andere geldelijke of materiële vergoedingen aan te nemen dan die desgevallend bepaald in hun arbeidsovereenkomst of aan de spelers en gokkers enige vorm van lening of krediet toe te staan.

 

Artikel 47. De Koning bepaalt:

1. de vorm van de vergunning klasse D en van de bijbehorende identificatiekaart;

2. de wijze waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;

3. welke bekwaamheden en welke getuigschriften nodig zijn om een vergunning klasse D te verkrijgen.

- Koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de modaliteiten van de aanvraag, de vorm van de vergunning klasse D en de vereiste bekwaamheden en getuigschriften voor het uitoefenen van een professionele activiteit in een kansspelinrichting klasse I of II


HOOFDSTUK V. - Verkoop, verhuur, leasing, levering, terbeschikkingstelling, invoer, uitvoer, productie, diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen

Artikel 48. De verkoop, de verhuur, de leasing, de levering, de terbeschikkingstelling, de invoer, de uitvoer, de productie, de diensten inzake onderhoud, herstelling en uitrusting van kansspelen, kunnen slechts plaatsvinden na toekenning van een vergunning klasse E. De operatoren die de kennisgeving, bepaald bij artikel 9 van de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie hebben gedaan, zijn vrijgesteld van deze verplichting.

 

Artikel 49. werd opgeheven.

 

Artikel 50. Om een vergunning klasse E te kunnen verkrijgen moet de aanvrager:

1. indien het gaat om een natuurlijk persoon, onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie; indien het gaat om een rechtspersoon, deze hoedanigheid naar Belgisch recht of naar het recht van een lidstaat van de Europese Unie bezitten;

2. indien het gaat om een natuurlijk persoon, volledig zijn burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie; indien het gaat om een rechtspersoon, moeten de bestuurders en zaakvoerders volledig hun burgerlijke en politieke rechten genieten en zich gedragen op een wijze die beantwoordt aan de vereisten van de functie;

3. het bewijs leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht en de commissie te allen tijde nauwgezet alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren.

4. een advies overleggen uitgaande van de FOD Financiën waaruit blijkt dat hij al zijn vaststaande en onbetwistbare belastingsschulden heeft voldaan.

 

Artikel 51. Om een vergunning klasse E te kunnen behouden, moet de titularis ervan niet alleen blijven voldoen aan de voorwaarden opgesomd in het vorige artikel, maar tevens:

1. Indien het een natuurlijke persoon is die op enigerlei wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door middel van een rechtspersoon deelneemt aan een activiteit waarvoor een vergunning klasse E vereist is, te allen tijde en op ondubbelzinnige wijze door de commissie kunnen worden geïdentificeerd en bij die commissie gekend zijn. Zijn identiteit moet doorgegeven worden aan de commissie.

2. Aan de commissie alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden te allen tijde de transparantie van de exploitatie, de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren.

 

Artikel 52. Elk model van materiaal of van toestel dat met het oog op het gebruik door een vergunninghouder bepaald in deze wet, is ingevoerd of vervaardigd binnen de grenzen en voorwaarden vastgesteld in een vergunning klasse E, moet, teneinde op het Belgische grondgebied te kunnen worden verkocht of geëxploiteerd, goedgekeurd worden door de commissie op basis van de controles uitgevoerd door een van de instanties die vermeld zijn in het tweede lid van onderhavig artikel.  Als bewijs van de goedkeuring wordt een goedkeuringsattest uitgereikt.

De controles op basis waarvan de goedkeuring wordt verleend, worden uitgevoerd:

- hetzij door de dienst technische evaluaties van de kansspelcommissie;

- hetzij door een instelling die hiertoe geaccrediteerd is in het raam van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling of geaccrediteerd is in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een ander land dat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, onder toezicht van de dienst technische evaluaties van de kansspelcommissie;

De controles bij de ingebruikneming en bij het gebruik van het materiaal of van de toestellen bedoeld in het eerste lid worden eveneens uitgevoerd door de instanties bedoeld in het tweede lid.

- Koninklijk besluit van 21 februari 2003 betreffende de controleprocedures die aan de erkenning voorafgaan, de regels van toezicht op en controle van de kansspelen

- Koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

 

Artikel 53. De Koning bepaalt:

1. de vorm van de vergunning klasse E en van die bedoeld in artikel 52;

2. de wijze waarop de aanvragen van een vergunning moeten worden ingediend en onderzocht;

3. de procedures betreffende de controle van de kansspelen die aan de goedkeuring voorafgaan;

4. de werkingsregels van de kansspelen;

5. de regels van toezicht op en controle van de kansspelen, inzonderheid door middel van een passend informaticasysteem;

6. het bedrag en de wijze van innen van de vergoedingen betreffende de controles voor de modelgoedkeuring en de navolgende controles.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de modaliteiten van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse E aangaande de kansspelen

- Koninklijk besluit van 21 februari 2003 tot vaststelling en de wijze van innen, door de Metrologische Dienst van het Ministerie van Economische Zaken, van de vergoedingen betreffende de controles voor de modelgoedkeuring en de navolgende controles van de kansspelen

- Koninklijk besluit van 21 februari 2003 betreffende de controleprocedures die aan de erkenning voorafgaan, de regels van toezicht op en controle van de kansspelen

- Koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III

- Koninklijk besluit van 14 juni 2004 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 april 2003 betreffende de werking van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de werkingsregels en de nadere regels inzake de boekhouding en de controle van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II

- Koninklijk besluit van 11 juni 2009 tot wijziging van verscheidene bepalingen betreffende kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I

- Koninklijk besluit van 22 december 2010 betreffende de werkingsregels van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse IV

 

 

HOOFDSTUK VI. - Maatregelen ter bescherming van spelers en gokkers

 

Artikel 54.

§1. De toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen klasse I en II is verboden voor personen jonger dan 21 jaar, uitgezonderd het meerderjarige personeel van kansspelinrichtingen op hun plaats van tewerkstelling. De toegang tot kansspelinrichtingen klasse IV is verboden voor minderjarigen.

De deelneming aan kansspelen in kansspelinrichtingen klasse III alsmede de deelneming aan kansspelen en weddenschappen in kansspelinrichtingen klasse IV, zijn verboden voor minderjarigen.

Dit verbod voor minderjarigen geldt ook voor de weddenschappen toegelaten buiten de kansspelinrichtingen klasse IV.

De deelneming aan kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten, met uitzondering van de weddenschappen, is verboden voor personen jonger dan 21 jaar. De deelneming aan weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten is verboden voor minderjarigen.

§2. De toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen klasse I en II is verboden voor magistraten, notarissen, deurwaarders en leden van de politiediensten buiten kader van de uitoefening van hun functies.

De deelname aan kansspelen in de zin van deze wet waarvoor een registratieplicht geldt, met uitzondering van de weddenschappen, zijn verboden voor magistraten, notarissen, deurwaarders en leden van de politiediensten buiten het kader van de uitoefening van hun functies.

 

§ 3 De commissie ontzegt de toegang tot de  kansspelen in de zin van deze wet waarvoor een registratieplicht geldt aan:

1. personen die daarom zelf hebben verzocht;

2. Personen beschermd krachtens artikel 492/1 van het Burgerlijk Wetboek op verzoek van hun bewindvoerder;

3. Personen aan wie krachtens het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 een verbod is opgelegd bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen, na kennisgeving door het openbaar ministerie;

4. Personen met een probleem van gokverslaving. Dit toegangsverbod kan op verzoek van elke belanghebbende worden uitgesproken. Het verzoek omvat de motieven en wordt ingediend bij de commissie. De commissie neemt haar beslissing na de betrokken speler uitgenodigd te hebben zijn verweermiddelen naar voor te brengen;

6. Personen voor wie het verzoek tot collectieve schuldenregeling toelaatbaar werd verklaard.

 

§ 4 De commissie ontzegt preventief de toegang tot de kansspelen in de zin van deze wet waarvoor een registratieplicht geldt, aan:

1. De te beschermen persoon voor wie een verzoekschrift is ingediend overeenkomstig artikel 1240 van het Gerechtelijk Wetboek of een proces-verbaal van ambtswege aanhangig maken werd opgesteld overeenkomstig de artikelen 1239 en 1247 van het Gerechtelijk Wetboek;

2. De te beschermen persoon voor wie een verzoekschrift is ingediend overeenkomstig artikel 5 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

 

De preventieve ontzeggingen opgesomd in het eerste lid nemen een einde wanneer de commissie in kennis is gesteld van de beslissingen bedoeld in artikel 1249 van het Gerechtelijk Wetboek en in de artikelen 8, 12 en 30 van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke.

De informatie die aan de commissie moet worden overgezonden door de gerechtelijke instanties, kan op elektronische wijze worden verzonden.

 

 

§ 5. De Koning bepaalt de wijze waarop de toegang tot de kansspelen in de zin van deze wet wordt verboden of ontzegd.

- Koninklijk besluit van 15 december 2004 betreffende de wijze waarop de toegang tot de kansspelinrichtingen klasse I en II wordt verboden of ontzegd

- Koninklijk besluit van 15 december 2005 betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I en klasse II wordt ontzegd

- Koninklijk besluit van 21 juni 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 15 december 2004 betreffende de wijze waarop de toegang tot de kansspelinrichtingen klasse I en II wordt verboden of ontzegd

 

Artikel 55. Bij de federale overheidsdienst Justitie wordt een systeem van informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 ingesteld.

De doelstellingen van dit systeem zijn:

1° de kansspelcommissie in staat te stellen de bij deze wet toegekende opdrachten uit te oefenen;

2° de exploitanten en het personeel van de kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54.

Voor iedere persoon maakt de volgende informatie het voorwerp uit van een verwerking:

1° de naam en voornamen;

2° de geboorteplaats en -datum;

3° de nationaliteit;

4° het identificatienummer bedoeld in artikel 8 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen of, bij ontstentenis van dit nummer, het nummer toegekend krachtens het koninklijk besluit van 8 februari 1991 betreffende de samenstelling en de wijze van toekenning van het identificatienummer van de natuurlijke personen die niet ingeschreven zijn in het Rijksregister van de natuurlijke personen.

5° het beroep;

6° voorzover ze bestaat, de beslissingen van ontzegging bedoeld in artikel 54, §3 en §4, uitgesproken door de kansspelcommissie, de datum en de motivering van deze beslissing.

Tegen betaling van een bijdrage, wordt een vaste on-line toegang tot alle categorieën van informatie bedoeld in het derde lid verleend aan de kansspelcommissie.

Bij een in Ministerraad overlegd besluit en na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, bepaalt de Koning het bedrag van de in het vierde lid bedoelde bijdrage, de beheersregels van het systeem van informatieverwerking en de nadere regels inzake de informatieverwerking en de toegang tot het systeem.

- Koninklijk besluit van 15 december 2005 betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I en klasse II wordt ontzegd

 

Artikel 56. Het eerste lid van artikel 487sexies van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt:

« De beslissingen waarbij iemand in staat van verlengde minderjarigheid wordt verklaard, waarbij gelast wordt het ouderlijk gezag te vervangen door de voogdij of waarbij een nieuwe voogd wordt benoemd, worden door de griffier ter kennis gebracht van de minister van Justitie, van de burgemeester van de gemeente waar de betrokkene in het bevolkingsregister is ingeschreven. ».

 

Artikel 57. 1. Artikel 7, § 4, tweede lid, van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, wordt gewijzigd als volgt:

« Hij zendt een niet-ondertekend afschrift van het verzoekschrift en deze beslissing aan de advocaten van de partijen en in voorkomend geval, aan de wettelijke vertegenwoordiger, de geneesheer-psychiater en de vertrouwenspersoon van de zieke. ».

2. Artikel 8, § 2, tweede lid, van dezelfde wet wordt gewijzigd als volgt:

« Hij zendt een niet-ondertekend afschrift van het vonnis aan de raadslieden, aan de procureur des Konings en, in voorkomend geval, aan de wettelijke vertegenwoordiger, de geneesheer-psychiater en de vertrouwenspersoon van de zieke. ».

3. Artikel 30, § 4, tweede lid, van dezelfde wet wordt gewijzigd als volgt:

« Hij zendt een niet-ondertekend afschrift van het vonnis of kennisgeving van het ontbreken van een vonnis aan de raadslieden en, in voorkomend geval, aan de wettelijke vertegenwoordiger, de geneesheer en de vertrouwenspersoon van de zieke. ».

 

Artikel 58. Behoudens het gebruik van kredietkaarten en debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I mag niemand aan de spelers en de gokkers enige vorm lening of krediet toestaan of met hen een geldelijk of materiële transactie aangaan ter betaling van een inzet of een verlies.

Een verrichting waarvan de som 10.000 euro of meer bedraagt, moet gebeuren door middel van een kredietkaart of debetkaArtikel De betaling met kredietkaarten is verboden in de kansspelinrichtingen II, III en IV en voor de kansspelen die worden geëxploiteerd via informatiemaatschappij-instrumenten.

De exploitanten van de kansspelinrichtingen zijn verplicht in alle voor het publiek toegankelijke lokalen op duidelijk leesbare en goed zichtbare wijze het verbod van kredietverlening, bepaald in het eerste lid, ter kennis te brengen van hun cliënteel.

De aanwezigheid van geldautomaten in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is verboden. De aanwezigheid van geldwisselaars in kansspelinrichtingen klasse I, II, III en IV is toegelaten.

 

Artikel 59. Aan de reële kansspelen mag alleen worden deelgenomen met contant betaalde speelpenningen en -fiches, die eigen zijn aan de spelinrichting en uitsluitend binnen haar muren door haar personeel worden uitgereikt, of met muntstukken. Deze bepaling geldt niet voor de deelname aan weddenschappen.

 

Artikel 60. Het is verboden kosteloos verplaatsingen, maaltijden, dranken of geschenken aan te bieden aan het cliënteel van kansspelinrichtingen  klasse II, III en IV of zulks te doen onder de marktprijs van vergelijkbare goederen en diensten.

Het is toegelaten aan het cliënteel van kansspelinrichtingen klasse I verplaatsingen,maaltijden, dranken of geschenken kosteloos of onder marktprijs van vergelijkbare goederen en diensten aan te bieden, tot een maximumbedrag van 400 euro per twee maanden en per speler.

De Koning kan bijkomende voorwaarden bepalen alsook het bedrag bedoeld in het vorige lid aanpassen.

 

 

Artikel 61. De Koning neemt maatregelen gericht op de uitwerking van een deontologische code, de voorlichting van het publiek omtrent de gevaren inherent aan kansspelen.

De commissie stelt aan de kansspelinrichtingen klasse I, II, III, en IV, folders ter beschikking met informatie over gokverslaving, het telefoonnummer van de hulplijn 0800 alsmede adressen van hulpverleners. Deze folders dienen door de betreffende inrichtingen steeds  zichtbaar voor het cliënteel te worden opgesteld en ter beschikking te worden gehouden. Indien de vergunningshouder gebruik maakt van informatiemaatschappij-instrumenten, dient de folder onder elektronische vorm beschikbaar te zijn.

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van een vergunning klasse C

- Koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse II, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse B

- Koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse I, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse A

 

Artikel 62. In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de klassen I en II is slechts toegestaan wanneer de betrokken persoon een identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn volledige naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en adres in een register inschrijft.

De exploitant doet de betrokkene dat register ondertekenen.

Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, moet gedurende ten minste vijf jaar na zijn laatste deelneming aan een kansspel worden bewaard.

De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd.

Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot de registers.

De commissie kan de vergunning  klasse I of II intrekken zo dat register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de over heden wordt medegedeeld, beschadigd raakt dan wel verdwijnt.

De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd voor deelneming aan kansspelen via een elektronisch communicatienetwerk evenals de voorwaarden waaraan het register moet voldoen.

- Koninklijk besluit van 15 december 2004 betreffende het toegangsregister in de speelzalen van kansspelinrichtingen van klasse I of II



HOOFDSTUK VII. - Strafbepalingen

Artikel 63. De daders van de inbreuken op de bepalingen van  de artikelen 4, § 1, 4 §3, 8, 26, 27, eerste lid, 46 en 58 worden gestraft met een gevangenisstraf van zes maanden tot vijf jaar en met een boete van 100 frank tot 100 000 frank of met een van deze straffen alleen.

 

Artikel 64. De daders van inbreuken op de bepalingen van de artikelen 4, §2, 43/1, 43/2, 43/3, 43/4, 54, 60 en 62 worden gestraft met een gevangenisstraf van één maand tot drie jaar en met een boete van 26 frank tot 25 000 frank of met één van die straffen alleen.

 

Artikel 65. Voornoemde straffen kunnen worden verdubbeld:

1. bij recidive binnen vijf jaar volgend op een veroordeling krachtens deze wet of de besluiten tot uitvoering ervan;

2. ingeval de overtreding is gepleegd ten aanzien van een persoon jonger dan 18 jaar.

 

Artikel 66. Betrokkene kan overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek bovendien uit bepaalde rechten worden ontzet.

 

Artikel 67. Bij elke vorm van overtreding worden het bij het spel ingezette geld, de daarmee gelijkgestelde papieren, de meubelen, de instrumenten, het gereedschap en de toestellen gebruikt bij of bestemd voor de spelen verbeurdverklaard.

 

Artikel 68. De rechter kan de definitieve of tijdelijke sluiting van de kansspelinrichting bevelen.

Zo de rechter gebruik maakt van de mogelijkheid die hem krachtens het eerste lid toekomt, moet de commissie de desbetreffende vergunning intrekken.

 

Artikel 69. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek, daaronder begrepen hoofdstuk Vll en artikel 85, zijn van toepassing op de misdrijven omschreven in deze wet.

 

Artikel 70. Natuurlijke personen en bestuurders, zaakvoerders, beheerders, organen, aangestelden en lasthebbers van rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de veroordelingen tot schadevergoeding, boeten, kosten, verbeurdverklaringen en administratieve boeten van welke aard ook, die worden uitgesproken wegens overtreding van de bepalingen van deze wet.

Hetzelfde geldt voor vennoten van vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid wanneer een vennoot, een beheerder, een aangestelde of een lasthebber de overtreding hebben begaan in het kader van de activiteiten van de vennootschap. Deze personen zijn hoofdelijk gehouden tot het voldoen van de veroordelingen bedoeld in het eerste lid.

Het openbaar ministerie of de burgerlijke partij kunnen de natuurlijke personen en de rechtspersonen bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel rechtstreeks voor het strafgerecht dagen.

 

 

HOOFDSTUK VIII. - Waarborgen en kosten

Artikel 71. Met uitzondering van de vergunning klasse C, D en F2 worden de vergunningen bedoeld in artikel 25 slechts afgeleverd na storting van een zakelijke waarborg die bestaat uit geld of effecten. De waarborg, die wordt aangewend bij wanbetaling van de kosten en de uitgaven bedoeld in de artikelen 19 en 72, moet ten laatste vijf dagen voor aanvang van de spelverrichtingen bij de Consignatiekas worden gestort.

Bij wanbetaling van de kosten heeft de commissie het recht de waarborg aan te wenden om de verschuldigde bedragen te betalen.

Indien tijdens de uitoefening van de activiteiten blijkt dat de waarborg ontoereikend is om de kosten te dekken, eist de commissie dat binnen vijf dagen een bijkomend bedrag wordt betaald op straffe van schorsing van de vergunning tot het tijdstip van de storting.

Het bedrag van de waarborg wordt bepaald op:

1. 250.000 euro voor een vergunning klasse A;

2. 250.000 euro voor een aanvullende vergunning klasse A+;

3. 75.000 euro voor een vergunning klasse B;

4. 75.000 euro voor een aanvullende vergunning klasse B+;

5. het bedrag van 25.000 euro voor de houders van een vergunning klasse E die uitsluitend diensten leveren in het raam van het onderhoud, het herstel of de uitrusting van de kansspelen; het bedrag van 12.500 euro per aangevangen schijf van 50 toestellen voor alle andere houders van de vergunning klasse E;

6. 10.000 euro voor de houders van een vergunning klasse F1;

7. 75.000 euro voor de houders van een aanvullende vergunning klasse F1+;

8. 80.000 euro voor de houders van een vergunning klasse G1;

9. 0 euro voor de houders van een vergunning klasse G2.

De Koning kan de bedragen van de waarborg bij een in Ministerraad overlegd besluit wijzigen.

De Koning legt aan de wetgevende kamers, een ontwerp van wet voor dat gericht is op de bekrachtiging van het besluit uitgevaardigd ter uitvoering van het vorige lid.

[NOTA: Bij arrest nr. 100/2001 van 13-07-2001 (B.S. 07-08-2001, p. 26855) heeft het Arbitragehof in dit artikel de woorden “het bedrag van 500.000 frank per aangevangen schijf van 50 toestellen voor alle andere houders van de vergunning klasse E” in zoverre ze betrekking hebben op de uitvoerders en de producenten van kansspelen bestemd voor de utvoer vernietigd]

 

HOOFDSTUK IX. - Opheffings- en begeleidingsmaatregelen

 

Artikel 72. De wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, gewijzigd bij de wetten van 19 april 1963 en 22 november 1974, alsook de uitleggingswet van 14 augustus 1978 worden opgeheven.

 

Artikel 73. Artikel 305 van het Strafwetboek wordt opgeheven.

 

Artikel 74. Artikel 1 van de wet van 15 juli 1960 tot zedelijke bescherming van de jeugd wordt aangevuld met het volgende lid:

«Deze bepaling is niet van toepassing op kansspelinrichtingen die zijn toegestaan bij de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. ».

 

Artikel 75. In artikel 2bis van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld, gewijzigd door de wet van 10 augustus 1998, wordt het 5° vervangen als volgt:

« 5° de natuurlijke personen of de rechtspersonen die één of meer kansspelen van klasse I exploiteren, bedoeld in de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. ».

 

Artikel 76. De concessieovereenkomsten die gelden op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet tussen de kansspelinrichtingen klasse I en de gemeenten bedoeld in artikel 29 van deze wet blijven in voorkomend geval gelden gedurende maximum 20 jaar voor zover deze kansspelinrichtingen binnen een jaar na de inwerkingtreding van deze wet voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze wet.

 

Artikel 76/1. De bestaande inrichters van weddenschappen welke een attest kunnen voorleggen van de Federale Overheidsdienst Financiën dat zij voldoen aan hun fiscale verplichtingen, kunnen hun activiteiten voortzetten tot op het ogenblik dat de commissie een beslissing heeft genomen inzake het toekennen van een vergunning klasse F1, onder voorbehoud van het betalen van een waarborg en het neerleggen van een volledig en correct dossier binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling.

De vaste en mobiele inrichtingen klasse IV en de bijzondere tussenpersonen bedoeld in artikel 43/4, § 5, die correct aangemeld zijn bij de Federale Overheidsdienst Financiën en die weddenschappen aanbieden waarvoor de inrichter  zijn fiscale verplichtingen is nagekomen kunnen hun activiteiten voortzetten tot op het ogenblik dat de commissie een beslissing heeft genomen inzake het toekennen van een vergunning klasse F 2, onder voorbehoud van het betalen van een waarborg door de inrichter wiens weddenschappen zij aanbieden en het neerleggen van een volledig en correct dossier binnen een termijn van 2 maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling.

Indien niet is voldaan aan de in dit artikel gestelde voorwaarden, kan de commissie de gelegenheid bieden aan de verzoeker om zijn dossier te corrigeren binnen de door haar bepaalde termijn.

 

 

HOOFDSTUK X. - Slotbepalingen

 

Artikel 77. De Koning oefent de Hem door deze wet toegekende bevoegdheden uit op gezamenlijke voordracht van de ministers van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken, Financiën, de minister tot wiens bevoegdheid de nationale loterij behoort, Volksgezondheid en Justitie.

 

Artikel 78. De artikelen 9 tot 23 treden in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt.

- Koninklijk besluit van 15 december 2005 betreffende het instellen van een systeem van informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I en klasse II wordt ontzegd

De andere artikelen treden in werking op de datum bepaald door de Koning.