F2: aparte ruimte binnen andere hoofdhandelszaak

Naar aanleiding van de toekomstige hernieuwingen van de vergunningen F2 vanaf 2014, wenst deze nota te verduidelijken wie (de F1 of F2) de vergunning moet aanvragen voor een vaste kansspelinrichting klasse IV of wedkantoor indien dit wedkantoor een afgescheiden ruimte uitmaakt binnen een andere hoofdhandelszaak.

Aangaande deze problematiek werden reeds nota’s door Kansspelcommissie goedgekeurd in juli 2011, oktober 2011 en juni 2012. (zie http://www.gamingcommission.be/opencms/opencms/jhksweb_nl/gamingcommission/besl/wdsch/ )
Uit voorgaande nota’s volgt dat de vergunning F2 moet aangevraagd worden door de “daadwerkelijke exploitant” in de zin van artikel 2, 2° van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna “de Kansspelwet”) .
 
Wie is nu de daadwerkelijke exploitant ingeval een wedkantoor wordt uitgebaat als afgescheiden ruimte binnen een andere hoofdhandelszaak ?
 
1. Principe: aanvraag door de hoofdhandelaar (in eigen naam).
De hoofdhandelaar wordt aanzien als de daadwerkelijke exploitant in de zin van de kansspelwet ingeval er een wedkantoor als afgescheiden ruimte binnen zijn handelszaak wordt uitgebaat. Hij dient aldus de vergunning F2 aan te vragen in eigen naam.
 
2. Uitzonderingen op het principe:
 
2.1. Uitdrukkelijke overeenkomst tussen partijen onderling.
Omwille van vaststaande (professionele) praktijken kan de vergunning F2 in weerwil van bovenvermeld principe toch toegekend worden op naam van de vergunninghouder F1 indien:
-         de hoofdhandelaar hiervoor uitdrukkelijk en schriftelijk zijn toestemming geeft;
-         deze toestemming beperkt is tot de duur van de vergunning (3 jaar);
-         in deze toestemming uitdrukkelijk wordt vermeld dat de vergunninghouder F1 de volledige verantwoordelijkheid draagt wat betreft de exploitatie van het wedkantoor;
-         in deze toestemming uitdrukkelijk wordt vermeld dat door het verlenen van de toestemming de hoofdhandelaar geen gebruik zal maken van de nota van de Kansspelcommissie van juni 2012 betreffende de daadwerkelijke exploitant bij een conflict tussen F1 en F2 gedurende de duurtijd van de vergunning.
 
2.2. Feitelijke controle over de afgescheiden ruimte.
Het principe kan ook weerlegd worden door een vergunninghouder F1 indien hij met voldoende feitelijke grondslag aantoont dat hij in casu de daadwerkelijke exploitant van het wedkantoor is. Een belangrijk element bij deze beoordeling is de feitelijke controle over de afgescheiden ruimte.